De vereenvoudigde ABC is kennelijk moeilijk

De vereenvoudigde ABC is kennelijk moeilijk

Van een ABC is sprake als ondernemer A goederen verkoopt aan B en B aan C waarbij de goederen rechtstreeks van A naar C worden vervoerd. Als A of B het vervoer regelt en B een btw-identificatienummer van een ander land dan het land van vertrek opgeeft, moet B zich laten registreren in het land van aankomst van de goederen. Om registratie van B in het land van aankomst te voorkomen, is de vereenvoudigde regeling bedacht. De vereenvoudiging houdt in dat de verwerving van B in het land van aankomst is vrijgesteld en dat de btw op de levering naar C wordt verlegd. In artikel 37c, letter b, Wet OB 1968 is bepaald dat als Nederland het land van aankomst van de goederen is, de goederen door B moeten worden geleverd aan een ondernemer die in Nederland woont of is gevestigd (C). Artikel 141 van de Btw-richtlijn bepaalt echter dat C voor btw doeleinden moet zijn geregistreerd in de lidstaat van aankomst.  Het betreft geen ‘kan’-bepaling. Artikel 37c, letter b van de wet moet dus worden gewijzigd. Navraag in diverse EU-landen leert dat Nederland het enige land is dat de eis stelt dat partij C in het land van aankomst moet zijn gevestigd.

Letter c van dezelfde bepaling  stelt dat B geen btw-identificatienummer mag hebben in de lidstaat van vertrek van de goederen. Dit is niet juist. Het mag geen verschil maken of B al dan niet in het land van vertrek is geregistreerd. De intracommunautaire levering moet voor de toepassing van de vereenvoudiging immers door A worden verricht. Het al dan niet hebben van een btw-nummer in het land van vertrek kan dan niet van belang zijn. Zie ook het arrest van het Hof van Justitie Hans Bühler . In deze zaak was B zelfs gevestigd in het land van vertrek. Letter c komt dus geen betekenis toe nu deze duidelijk in strijd is met artikel 141 van de Btw-richtlijn. Er zijn overigens meer landen die artikel 141 van de Btw-richtlijn verkeerd hebben geïnterpreteerd.  

Het is wel mogelijk te eisen dat B niet in het land van aankomst mag zijn geregistreerd. Als B in het land van aankomst is geregistreerd kan hij immers een intracommunautaire verwerving aangeven en al dan niet de verlegging van artikel 194 van de Richtlijn  toepassen. Op de website van de Belastingdienst  is vermeld dat B geen btw-identificatienummer in Nederland mag hebben als Nederland het land van aankomst is. Ik kan dit nergens in de regelgeving vinden.  

In een beleidsbesluit  wordt de zienswijze van de toelichting op de Quick Fixes  niet op alle punten gevolgd. Zo wordt opnieuw bevestigd dat C in het land van aankomst moet zijn gevestigd. Als sprake is van en ABCD en C geeft het btw-identificatienummer van het land van aankomst van de goederen op, kan volgens het beleidsbesluit geen sprake zijn van de toepassing van de vereenvoudiging. Maar als C wil dat de goederen worden bezorgd bij D die is gevestigd in het land van aankomst van de goederen, moeten A of B dan nagaan of de locatie waar de goederen worden bezorgd wel van C is? Dat lijkt mij te ver gaan. Ik begrijp de Toelichting die de toepassing van de vereenvoudiging in deze situatie toestaat dan ook wel. Het niet volgen van de toelichting ligt mijns inziens dan ook niet aan de Toelichting maar aan een onjuiste uitleg van de Btw-richtlijn door het Ministerie van Financiën.

Ik stel voor de bepalingen in de Btw-richtlijn letterlijk te implementeren in de Nederlandse Wet OB 1968.


Written by:
Marja van den Oetelaar
Owner

With many happy clients, we can assure you that our advice will guide your problems in the right direction. We would love to get to know your business.

Thank you! We will be in touch.
Oops! Something went wrong while submitting the form.